‘O demon van de poëziekritiek!’ Een onderzoek naar de verschuivingen in de receptie van de poëzie van Christine D’haen

Kila van der Starre

Samenvatting


Kila van der Starre doet verslag van een onderzoek naar de verschuivingen in de receptie van de poëzie van de Vlaamse dichter, prozaschrijver, vertaler, bloemlezer en Gezelle-specialist Christine D’haen (1923-2009). Het receptieonderzoek laat op basis van polysysteemtheoretische inzichten van Itamar Even-Zohar zien dat D’haen gedurende haar auteurschap verschillende functies vervulde in meerdere repertoires. Werd D’haens poëzie in het begin van haar dichterschap met een traditioneel repertoire benaderd, aan het eind overheerste een postmodern repertoire. Sloten experimentele dichters als Hugo Claus en traditionele critici als Raymond Herreman haar in de jaren vijftig buiten een experimenteel repertoire, vanaf halverwege de jaren tachtig bevond D’haen zich mede door de introductie van een postmoderne leeshouding door Paul Claes en Dirk de Geest, het juryrapport van de Prijs der Nederlandse Letteren en de bloemlezing Plejade in een avant-gardistische positie. Na haar overlijden werd D’haen vergeleken en gelijkgesteld met experimentele dichters tegenover wie ze eerder als symbool van ‘de traditionelen’ was geplaatst. Een analyse van de mention ‘Hugo Claus’ geeft een kijk op deze ambigue relatie met de experimentelen. De ontwikkeling van ‘traditioneel’ naar ‘postmodern’ is in de receptiegeschiedenis van D’haens poëzie echter niet rechtlijnig. Gedurende D’haens dichterschap gebruikten critici een combinatie van elementen uit verschillende repertoires om de poëzie kritisch te ontvangen. De variatie van tegengestelde termen in de kritische receptie, waaronder ‘traditioneel’ en ‘ontraditioneel’, ‘klassiek’ en ‘antiklassiek’, ‘archaïserend’ en ‘modern’, ‘classicistisch’ en ‘experimenteel’, ‘ouderwets’ en ‘vernieuwend’, ‘classica’ en ‘postmodernist’, is een indicatie van de complexe ontwikkelingen in de receptie.

 

Kila van der Starre reports on a study on the shifts in the critical reception of poetry by the Flemish poet Christine D’haen (1923-2009). The reception analysis is based on concepts from Itamar Even-Zohar’s polysystem theory and shows that D’haen’s poetry simultaneously played different roles within multiple repertoires. While in the early stages of D’haen’s authorship her poetry was approached with a traditional repertoire, in the final phases the reception of her poetry was dominated by a postmodern repertoire. Experimental poets such as Hugo Claus and traditional critics such as Raymond Herreman excluded D’haen from the experimental repertoire in the 1950’s. In the mid 1980’s there was a shift towards a postmodern view on her poetry, initiated by Paul Claes and Dirk de Geest. This move being re-enforced by the jury commentary accompanying the prestigious Dutch Literature Prize which D’haen received in 1992 and the inclusion of her poetry in the postmodern Plejade-anthology. After her death D’haen was compared to the same experimental poets with whom she previously had been seen as an opposing symbol. An analysis of the mention ‘Hugo Claus’ presents a perspective on this ambiguous relationship with experimental poetics. The shift from traditional to postmodern, however, is not straightforward. Critics used a combination of elements from different repertoires to discuss D’haen’s poetry. The often contradictory terms, among which ‘traditional’ and ‘untraditional’, ‘classical’ and ‘anti-classical’, ‘archaic’ and ‘modern’, ‘old-fashioned’ and ‘innovatory’, ‘classicist’ and ‘postmodernist’, is an indication of the complexity of the shifts that took place in the reception of D’haen’s work.


Volledige tekst:

PDF


Verslagen & Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde
ISSN 2033-6446 (online)
ISSN 0770-786X (druk)